

|
Professionals met visie! |
|
Goedegebuure Psychologen |
|
Pastoraatstraining: Het Kind |
|
Het kind - ik wil nu ... ! Een heel ander aspect van je persoonlijkheid is: het Kind. Het Kind in ons staat voor het mooie, naïeve, speelse in je persoonlijkheid. Vanaf je geboorte is het Kind aanwezig. Het is dat stukje van je persoonlijkheid dat de wereld wil ontdekken, dat het graag naar zijn zin wil hebben, dat kan fantaseren, dat alles gelooft. Als pappa en mamma vertellen dat God bestaat, dan gelooft een kind dat. Vertellen pappa en mamma 10 minuten later dat Sinterklaas bestaat, dan gelooft een kind dat ook. Dit maakt het Kind in je tot iets heel ontvankelijks, maar ook tot iets heel kwetsbaars. Het Kind in jezelf, kan zich laten verleiden tot verkeerde dingen. Zolang het nu maar goed voelt, gaat het Kind wel mee. Het Kind is nieuwsgierig, wil alles proeven, in zijn mond stoppen. Tijdens deze ontdekkingsreis in het leven kan het Kind in jezelf in één van de volgende vier Kind-posities terechtkomen. Kindpositie 1: Ik ben o.k. - jij bent o.k. Als je als kind voldoende bevestiging en veiligheid meekrijgt, dan leer je als kind jezelf te accepteren zoals je bent. Je komt wel eens met een gescheurde broek thuis of met een onvoldoende; pappa en mamma kunnen best eens boos of teleurgesteld zijn, maar je weet dat ze ten diepste blij met je zijn zoals je bent. Ook als een 3 hebt houden ze gewoon van je. Ook als je een keer gefaald hebt, houden ze van je. Zelfs als je ongehoorzaam bent geweest, merk je dat ze veel voor je over hebben en dat ze blij zijn als het weer goedgemaakt is. Deze ouderlijke liefde en veiligheid zorgt ervoor dat je je als kind geaccepteerd weet. Je hoeft je plekje niet te bevechten, je mag er gewoon zijn zoals je bent. Ook met je scheve neus en je beugel. Als je deze onvoorwaardelijke acceptatie als kind ontvangt, geeft dit de diepe overtuiging dat je o.k. bent. Vanuit deze zelfacceptatie is het ook makkelijker om de ander te accepteren zoals hij/zij is. Er is sprake van een stuk vrede met jezelf en vrede met de mensen om je heen. Ik ben o.k. - jij bent o.k. Kindpositie 2: Ik ben niet o.k. - jij bent o.k. Wanneer je als kind regelmatig te horen krijgt dat je niet deugt, dat je vervelend bent, dat je eens meer een voorbeeld moet nemen aan je oudere broer of zus, dat jij altijd zo’n lastpost bent, etc. etc. dan geeft dit bij iedere afwijzing op deze manier steeds sterker de overtuiging dat je niet goed bent. De anderen zijn beter, worden meer gewaardeerd, kunnen meer. Jij bent minder. Deze Kind-positie hoeft niet thuis te ontstaan, het kan bijv. ook op school gebeuren. Als jij steeds degene bent die er niet bij hoort, die niet wordt uitgekozen, die gepest wordt, of in de pauzes alleen rondloopt, dan geeft dit op den duur ook de diepe overtuiging dat je niet goed bent. De anderen zijn leuk, en jij niet. Deze Kind-positie kan ook ontstaan als anderen, bijv. je vader of moeder of je grotere broer of zus voortdurend alles voor je regelt. ‘Geef maar hier, dat doe ik wel even voor je, dat is veel te moeilijk voor jou’. Het kan heel goed bedoeld zijn, maar door deze goed-bedoelde bemoeizucht zijn al heel wat mensen met een niet-ok Kind het volwassen leven ingestapt. Het Kind in hen voelt zich onzeker, minder. Het Kind in je heeft dan het gevoel dat de anderen het beter kunnen dan jij. Zo kun je als vrouw je vreselijk onzeker voelen achter het fornuis als je moeder je nooit bevestigd heeft in het feit dat jij het ook kan. Je man komt thuis, je zet het eten op tafel en direct is daar alweer het onzeker gevoel van Kind, het kleine meisje in je: ‘het is vast niet lekker, ze zullen het vast wel stom vinden wat ik heb gemaakt’. Voortdurende afwijzing geeft op den duur een wond in je hart. Als ik op mijn hand een druppel ammoniak laat vallen, dan voel ik daar niets van. Mijn huid zit er overheen. Die huid beschermt mij tegen agressieve stoffen. Heb ik op mijn hand echter een open wond, en ik laat dan het zelfde druppeltje ammoniak daarop vallen, dan vlieg ik tegen het plafond van de pijn. Het steekt, het bijt, en ik zal een flink geluid laten horen. Met wonden in je hart is het eigenlijk net zo. Wanneer je hart ‘gezond’ is, dan kun je best een druppeltje ammoniak verdragen, bijv. iemand die vergeet iets tegen je te zeggen. Of iemand die je een keer neerbuigend aankijkt. Of iemand die kritiek op je geeft. Maar wanneer er een wond in je hart zit, dan kan een verkeerde blik van iemand, of een keer genegeerd of vergeten worden, als een druppel ammoniak in de wond voelen. Je merkt dat je heftig reageert, dat het van binnen veel verdriet of boosheid oproept. Je voelt de neiging om weg te lopen, of om je boosheid er uit te gooien en de ander toe te schreeuwen dat hij hier eens mee op moet houden. In OVK-termen is het Kind in jezelf dan vewond. Het loopt rond met open wonden. Iedere keer als iemand tegen deze wond aanloopt, dan kreunt het Kind in je van pijn. Je voelt je weer net als vroeger op het schoolplein, of als vroeger in je bed toen je je vader en moeder hoorde ruziën. Het is een naargeestig maar wel bekend gevoel. Zo vertrouwd dat je eigenlijk bent gaan denken dat het normaal is of dat iedereen dat wel zal hebben. Maar het is pijn; pijn van afwijzing. Pijn van niet-o.k. zijn. Pijn dat de anderen allemaal wel o.k. lijken te zijn. Je voelt je alleen. Afgewezen. Minder. Kind-positie 3: Ik ben o.k. - jij bent niet o.k. Wanneer je in je kinderjaren voortdurend over het paard wordt getild, of over-bevestigd wordt dan kun je je beter gaan voelen dan de anderen. Dit kan ontstaan op grond van kwaliteiten waarin je inderdaad beter was dan je leeftijdgenoten. Als je de beste was met voetballen, of met gitaarspelen, of iets anders wat voor kinderen heel belangrijk is, dan kan er een stuk arrogantie gaan ontstaan. Het Kind wat in deze positie terechtkomt voelt zich ten diepste dan ook vaak onbegrepen en eenzaam. Het krijgt van volwassen mensen veel eer en complimentjes, maar leeftijdgenootjes kunnen een hekel aan dit kind krijgen. Het kind moet dit overleven door zichzelf steeds voor te houden dat hij beter is dan de anderen. Dat geeft houvast. Dat maakt begrijpelijk waarom de anderen zo jaloers reageren. Er kan natuurlijk sprake zijn van echte jaloezie maar je kunt je als kind ook inbeelden dat de anderen jaloers op je zijn. Ten diepste kan hier dus weer een niet-o.k. gevoel aan ten grondslag liggen. Als je ouder wordt, en het Kind in jezelf zit in deze positie vast, dan herken je dat aan het feit dat je moeilijk vindt om gewoon eens ‘gek’ te doen met anderen. Het lukt je bijna niet om spontaan te zijn. Andere mensen kunnen je beleven als ongrijpbaar, of oninvoelbaar. Afstandelijk. Rationeel. Kind-positie 4: Ik ben niet o.k. - jij bent niet o.k. Dit is de kind-positie die meestal pas op latere leeftijd (30, 40 of 50 jaar) ontstaat. Vaak ontstaat dit op grond van een eerder bestaande ‘ik ben niet-o.k. - positie’. Als het Kind in je zich altijd het ‘pispaaltje’ heeft gevoeld, kan er op latere leeftijd een soort bitterheid ontstaan. ‘Ik was altijd de gebeten hond, de underdog, maar nu heb ik het wel gezien hoor! Iedereen is alleen maar op zichzelf gericht! Politiek??? Zakkenvullers zijn het! Egoïsten! Ze zijn alleen maar uit op hun eigen hachie! Nee, vertel mij wat! De kerk??? Kom nou, zeg! Ze zeggen dat ze voor je bidden, maar ik weet het ondertussen wel hoor; ze lopen alleen maar over je te roddelen, onder het mom van bidden. Nee, ze bekijken het allemaal maar! Die onzin hoeft voor mij niet meer!’. Als je dit herkent, kan het zijn dat het Kind in jezelf heel boos is, verbitterd. Het heeft zich afgewezen gevoeld. Het telde niet mee. Er werd over je heen gewalst, niemand hield rekening met jou. Niemand zag jou eens staan. Je bent boos. Teleurgesteld. Eigenlijk vind ik dit de meest zorgwekkende kind-positie waarin je terecht kan komen. Als je hier heel erg vast in komt te zitten, loop je het gevaar er nooit meer uit te komen. Ik heb helaas al heel wat mensen gezien die niet meer bereid waren hun verwijten aan anderen op te geven. Het kleine jongetje of meisje in hen was zo boos, zo vernederd, zo gekwetst, dat ze bijna bewust gekozen hadden om hun verwijten nooit meer los te laten. De verwijten waren een stok geworden om mee te slaan. Een wapen. Soms nog het enige wapen om mensen van hen af te houden, of om hun wonden te beschermen. Als ze dit wapen los zouden laten, dan zou hun open wond zo kwetsbaar voor iedereen zichtbaar worden, dat het gevoel van vernedering nog groter zou worden. Achter het bittere Kind zit dan eigenlijk een afgewezen Kind dat zich verstopt achter het verbitterde Kind. Het afgewezen Kind is zo bang geworden om gezien te worden, dat het boze Kind er voor is komen te staan. Genezing van deze verwondingen vraagt om een hele veilige (pastorale) relatie, waarbinnen stukje bij beetje het Kind te voorschijn durft te komen. Het vraagt ook om doorzettingsvermogen en veel liefde vanuit de hulpverlener of de pastoraal werker om met deze verwonde mensen te werken. Je kunt als hulpverlener in eerste instantie veel boosheid over je heen krijgen. Boosheid op de hele wereld. En dus ook boosheid op jou. Veel therapeutische en pastorale relaties lopen hierop stuk. Er ontstaat een conflict tussen de hulpvrager en de hulpgever, en de verwonde persoon heeft weer een bevestiging van zijn bittere gedachtegang over de hele wereld. Dit zijn de mensen om voor te gaan. Het zijn vaak de moeilijkste, maar ook de meest eenzame mensen die je je maar kunt voorstellen. Als Gods liefde daar doorheen gaat breken, ben je getuige van iets wat je nooit meer zult vergeten in je hele leven: een werkelijke bevrijding. Het vraagt om geduld, gebed en liefde.
|